Pensioenlexicon

Drie pensioenpijlers

De pensioenbescherming kent drie pijlers, waarvan de eerste pijler het wettelijke pensioen is. Hiervoor heft de overheid sociale bijdragen. De tweede pijler bestaat uit aanvullende pensioenen onder de vorm van groepsverzekeringen. Deze systemen kunnen in de sectoren opgezet worden in onderling overleg tussen vakbonden en werkgevers. Deze laatsten dragen hiervoor volledig en/of gedeeltelijk samen met de werknemers bij aan de financiering ervan.

De derde pijler is het individuele pensioensparen in zijn verschillede vormen.

Er wordt ook wel eens van een vierde pijler gesproken. Hiermee wordt dan het individuele spaarvermogen (spaargeld, beleggingen, eigendom) bedoeld.

 

Wettelijk pensioen

Dit is de zgn. eerste pijler van de pensioenbescherming. Het kan dan om een rustpensioen gaan, opgebouwd met de eigen arbeid, een overlevingspensioen op basis van de loopbaan van de overleden partner of een inkomstengarantie voor ouderen.

Voor het rustpensioen zijn er verschillende stelsels, waarvan de drie grootste die voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren zijn. Vermits een loopbaan soms gemengd in verschillende statuten kan doorlopen worden, bestaan er ook gemengde pensioenen.

 

Rustpensioen

De officiële pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen bedraagt nu 65 jaar. Wie met pensioen gaat, krijgt dan een uitkering. Ingeval van een volledige loopbaan van 45 jaar wordt deze uitkering aan 100 procent uitbetaald.

 

Gezinspensioen

Een getrouwd koppel heeft recht op een (verhoogd) gezinspensioen wanneer één van de partners geen recht heeft op een eigen pensioen of andere uitkering. Het geldt dus niet voor (al dan niet wettelijk) samenwonenden.

Het gezinspensioen bedraagt 75 procent van het gemiddelde inkomen van de loopbaan van de gerechtigde die het pensioen heeft opgebouwd.

 

Alleenstaandenpensioen

Dit wordt uitsluitend gevormd op basis van de eigen loopbaan. Voor werknemers of zelfstandigen is het gelijk aan 60 procent van het gemiddelde inkomen dat tijdens de loopbaan verdiend werd. Voor ambtenaren ligt het iets anders: daar is het goed voor 75 procent van de gemiddelde wedde tijdens de laatste vijf jaar van de loopbaan.

 

Overlevingspensioen

Wanneer één van de gehuwde partners overlijdt, ontvangt de langstlevende echtgenoot een overlevingspensioen. Het komt overeen met het bedrag voor een alleenstaande.

Voorwaarde is dat het huwelijk minimum één jaar geldig was, tenzij in het geval van een ongeval.

 

Minimumpensioen

Een gepensioneerde met een volledige loopbaan van 45 jaar, of minstens tweederde daarvan, heeft recht op een minimumpensioen. De bedragen ervan worden elk jaar in het begin van het najaar vastgelegd.